Winterdieren

Normaal gesproken heeft Bram, onze voedselboskabouter altijd wel wat te doen. Hoewel zijn kabouter neus en outfit anders doet vermoeden behoort hij tot de moderne mannen in de kabouter samenleving. Hij poets het hele huis, doet de was (en afwas) en voedt zijn kinderen op, samen met zijn vrouw. Het had de hele week geregend en zowaar zowaar, alle wasgoed lag, netjes opgevouwen, in de kast. De bedden waren fris opgemaakt en het stof op de planken van de boekenkast was op magische wijze verdwenen. “En nu?” dacht Bram. “Kan ik me eindelijk eens vervelen”. Maar nee, dat zat er natuurlijk weer niet in. Bram’s vrouw kwam uit de keuken met ‘n grote pot hazelnootpasta. “Breng jij deze eens even naar Frans. Heb ik speciaal voor ‘m gemaakt, omdat’ie zo van hazelnoten houdt”. Bram rolde met z’n ogen en speelde een lieve glimlach naar z’n vrouw. “Ik zal eens kijken of ik’m kan vinden, hij zit meestal in struiken, te hoog voor mij”, zei Bram en pakte de grote pot aan van z’n vrouw. Jas aan, pet op en daar ging hij. Op weg naar Frans, de hazelmuis (Nee, ik verzin het niet!!).

Het Deense Roodborstje

Met ferme passen liep Bram over het pad in z’n voedselbos, de bomen ondertussen bijna geheel bladerloos. Een flauw zonnetje scheen tussen de takken door. Bram genoot er van, een zacht windje deed de takken zachtjes heen en weer wiegen. “Hier naar links, tot voorbij de dode Es en dan weer naar links. “ zei Bram tegen zichzelf toen hij opeens schrok van iets wat voorbij flitste. Hij greep als vanouds naar z’n hart en bleef stokstijf staan. “Tsssk, tssssk”, hoorde hij. Langzaam draaide hij zich om en daar zat een roodborstje hem nieuwsgierig aan te kijken. “Hej Bram, jeg har valgt din madskov til at tilbringe vinteren. Ikke dårligt, håber jeg?” piepte het roodborstje. Bram krabde zich eens onder z’n pet, hij kon de taal van het roodborstje niet helemaal thuisbrengen. “O, wacht… De roodborstjes die je in de winter ziet komen uit het noorden! Dit zal wel Deens zijn” Helemaal bij de tijd, pakte Bram zijn mobiele telefoon en vroeg het roodborstje nog eens te herhalen wat het zei. Toen Bram er uiteindelijk achter was wat het zei knikte hij blijmoedig en antwoordde: “Maar natuurlijk mag je in mijn voedselbos overwinteren! Graag zelfs! Wacht, ik weet een hele mooie plek voor jou om insecten te eten, en samen gingen ze richting de dode Es. Daar aangekomen wees Bram op de boom en zei, in zijn beste Deens “Barken er fuld af insekter, men efterlad et par til foråret.” (Onder de bast stikt het van de insecten, maar laat er wel een paar over voor in het voorjaar.) Het roodborstje knikte enthousiast en flitste er weer vandoor. “Wat leuk,” dacht Bram” Nooit eerder opgevallen dat ik in de winter Deense Roodborstjes onderdak geef. Misschien kunnen we hem een keer uitnodigen om insectenkoekjes te komen eten”. “O jah, Frans!!”

Vogels in de wintertijd

Niet alleen voor de bomen en planten is de winter soms een hachelijke onderneming. Minder zon, meer nattigheid aan de pootjes, soms een flinke lading sneeuw. Ook voor dieren betekent de winter ‘n periode van afzien. Een roodborstje weegt maar 16 tot 22 gram, en hoewel het een flink verenpak heeft om zich warm te houden moet het, net als alle andere kleinere vogels flink z’n best doen om dat gewicht op peil te houden. Mezen, vinkjes en andere zangvogels houden er een soort ‘Rondje om de Kerk’ op na, bij hun zoektocht naar voedsel in de wintermaanden. Daar waar ze iets vinden, zullen ze terugkeren. Als er dan plots niets meer te vinden is kan dat serieuze problemen opleveren. Ze moeten dan op zoek naar ‘n andere plek waar iets te eten te vinden is. En dat kost dan weer extra energie, die ze niet hebben kunnen bijvullen bij de lege voederplank. Dus als je al vetbollen of pindakaaspotten ophangt, zorg ervoor dat ze niet leeg raken. De energie die deze kleine vogeltjes nodig hebben kan echt ‘n kwestie van leven en dood zijn.

Insecten in de wintertijd

Insecten kruipen de grond in, of achter de schors van ‘n dode boom, waar ze de winter afwachten. Het is dus helemaal niet erg om ‘n paar dode bomen in je voedselbos te hebben staan, mits ze geen gevaar voor bezoekers opleveren natuurlijk. Honingbijen overwinteren als volk in ‘n kast of korf. Daarbij daalt de temperatuur in de kast van ‘n gezellige 38 graden tot zo’n 5 graden. Zo lang de bijenkoningin geen jonge bijen heeft verzorgt zal het bijenvolk als ‘n bal op elkaar gedrukt zitten, de koningin in het midden. Hoe kouder het buiten is, hoe kleiner de bal bijen. De bijen houden zich in leven door de honing die ze in de zomer hebben verzameld aan te spreken en met hun vliegspieren warmte te produceren. Op het moment dat de bijenkoningin weer eitjes gaat leggen (na de kortste dag van het jaar, zo rond kerst) zal de temperatuur in het centrum van de zgn ‘Wintertros’ weer omhoog gaan naar 39 graden. Daarbij gebruiken de bijen zo veel honing dat er soms water uit ‘n bijenkast stroomt. Als je dit ziet is dat alleen maar een goed teken, dat betekent dat het volk nog in leven is.

Zoogdieren in de wintertijd

Zoogdieren, zoals de egel en ook Frans, de hazelmuis, houden een winterslaap. Daarbij daalt de lichaamstemperatuur van een egel van zo’n 35,5 naar 5 graden Celsius. Ook de ademhaling en hartslag loopt terug naar ongelooflijke waardes. Van 180 naar 9 slagen per minuut! Een winterslaap is ideaal om vetreserves uit te sparen, maar toch kan ‘n egel zo’n 25% van z’n lichaamsgewicht verliezen tijdens de winter. Eat that, Herbalife! Alweer, het wordt bijna saai, is het belangrijk om dieren in hun winterslaap niet te verstoren. Het wakker worden kost veel energie, die in het voorjaar weer aangevuld moet worden.

Kabouters in de wintertijd

“Humpf”, dacht Bram, toen hij bij het holletje van Frans was aangekomen. Hij was te laat! Bij de ingang van het holletje hing een bordje, waar met sierlijke letters “Wel thuis, niet beschikbaar ivm Winterslaap” op geschreven stond. “Nou, ik zie ‘m daar al liggen, in dat huisje van ‘m. Met z’n wollige staart om zich heen gewikkeld, en maar snurken”, dacht Bram terwijl hij de pot Hazelnootpasta van de ene in de andere hand pakte. “Wat nu, ik kan toch moeilijk terug komen met die pot pasta”. “Tssssk Tsssssk” hoorde hij achter zich en zag iets wegflitsen toen hij zich omdraaide. “Laat ik die pot maar bij de ingang verstoppen, dan heeft Frans iets voor in het vroege voorjaar. En maar hopen dat dat Deense Roodborstje het niet verklapt aan m’n kinders.” mompelde hij onder z’n baard. “Nej det er ikke! Jeg vil ikke fortælle dig noget!”, hoorde hij nog tjilpen terwijl hij met ferme passen weer richting huis ging.

Later die avond zocht hij nog op wat het roodborstje gezegd had; “Nee hoor! Ik verklap niks!”. “Wat een hoop woorden”, dacht hij, terwijl hij de kachel aanstak en naast z’n vrouw op de bank plofte.